Voorpublicatie: Hugo Schiltz

– Eric Van de Casteele

Hugo Schiltz (Borsbeek 28 oktober 1927- Edegem 5 augustus 2006) groeide op als derde van zeven kinderen in een warm, streng katholiek en Vlaamsgezind gezin. Edward Schiltz (1866-1940), zijn grootvader aan vaders kant, sympathiseerde tijdens de Eerste Wereldoorlog met het activisme. Zijn broer, advocaat Emiel Schiltz (1865-1929), verdedigde in 1919 August Borms voor het Brusselse hof van assisen. Deze grootoom van Hugo Schiltz richtte in 1895 mee de Vlaamsgezinde en sociaalbewogen Antwerpse Christene Vlaamse Volkspartij op.

Hugo Schiltz’ vader Willem vocht tijdens de Eerste Wereldoorlog aan het IJzerfront. Hij behoorde er niet tot de Vlaams-nationalistische Frontbeweging. Hij was een wisselagent en huwde in 1924 met Maria Melis. Zij was de dochter van de toenmalige Antwerpse schepen van Burgerlijke Stand Lodewijk Melis. De grootvader van Hugo Schiltz langs moederszijde was dus een collega van de Antwerpse Vlaamsgezinde en katholieke burgemeester Frans Van Cauwelaert.

Een stap in de collaboratie

Als student aan het Xaveriuscollege in Borgerhout stak Hugo Schiltz zijn sympathie voor Staf de Clercq, de toenmalige leider van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) niet onder stoelen of banken. In de zomer van 1941 stuurde de collaboratiebereide Willem Schiltz zijn zonen Hugo en Wilfried naar een gastgezin in het Zuid-Duitse Baden-Württemberg. De Duitse bezetter vatte immers het plan op om Vlaamse tieners onder te brengen bij Duitse gastgezinnen, middels de actie ‘Kracht. Leven. Vreugde’ (KVL).

Toen hij terug in Antwerpen was, sloot de veertienjarige Hugo Schiltz zich aan bij de Nationaal-Socialistische Jeugd Vlaanderen (NSJV). In het NSJV-uniform bracht Hugo Schiltz het weekblad Jonas, de Jonge Nationaal-Socialist aan de man. Eind 1943 werd de NSJV-werking voortgezet onder de benaming Blauwvoetvendels, wat een reactie was op de Groot-Duitse tendens in de collaboratie en in het bijzonder de oprichting van de concurrerende Vlaamse Hitlerjeugd.

Ondertussen had Schiltz zich opgewerkt tot ploegleider van de Blauwvoetvendels. Samen met andere leiders tekende hij bezwaar aan tegen de onvoorwaardelijke collaboratiepolitiek van het VNV, maar hij ging niet akkoord met de toenemende kritiek tegenover Duitsland en zijn Führer. Zijn anti-bolsjewisme en zijn adoratie voor Adolf Hitler dreven hem aan het eind van de oorlog verder in de collaboratie.

Zijn oudste broer Walter was in 1943 naar het Oostfront vertrokken en een jaar later was ook Hugo van plan om samen met de Duitsers in Rusland te gaan strijden. Zijn oom Eugène, een gewezen missionaris, weerhield hem daar echter van.

Na de bevrijding in september 1944 werd Hugo Schiltz opgesloten in een geïmproviseerd interneringskamp in de geniekazerne van Berchem. Eind oktober 1944 kwam de zeventienjarige voorlopig vrij en eind januari 1945 definitief, onder meer dankzij bemiddeling van de Antwerpse Vlaams-nationalistische advocaat Herman Wagemans. Hij nam toen zijn studies weer op. Al in de retorica rijpte bij hem de idee om een Vlaams-nationale jeugdbeweging op te richten, deze keer niet aan een politieke partij gebonden.  In het verlengde van dit engagement lag ook zijn drang om een elite te vormen en een maatschappelijke opdracht te vervullen, daartoe aangespoord door de jezuïeten. Hij dacht in zijn jonge jaren overigens enkele keren aan een priesterroeping, maar dat werd hem door verschillende paters uit het hoofd gepraat.

VU of CVP?

In oktober 1946 startte Hugo Schiltz met zijn studies aan de faculteit rechten van de Katholieke Universiteit Leuven. Tegelijkertijd behaalde hij ook een baccalaureaat in de thomistische wijsbegeerte. Gedurende zijn studentenperiode leende hij zijn pen aan Vlaamsgezinde tijdschriften zoals Opstanding, Golfslag, Wit en Zwart en Vive-Le-Gueux!. In zijn geschriften, waaronder ook zijn dagboeken, bleef hij een Groot-Nederlander. Maar hij nam publiekelijk afstand van het revolutionaire aspect ervan. Schiltz verwierp ook het anti-Belgicisme, zij het meer om strategische dan om principiële redenen. Hij noemde de collaboratie een mislukking. De afloop ervan deed hem twijfelen aan het nut van de oprichting van een nieuwe Vlaams-nationalistische partij. Hij vroeg zich af of het Vlaams-nationalisme ooit voldoende op de politieke besluitvorming zou kunnen wegen en in staat was om het nodige politieke realisme aan de dag te leggen.

In het begin van de jaren 1950 trachtte Schiltz, samen met zijn Antwerpse vriend Raymond Derine, alle katholieke Vlaamsgezinde studenten, o.a. die van het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond (KVHV), voor het Vlaams-nationalisme en voor de amnestie-eis te winnen. Zo wilde Schiltz een eenheid in de Vlaamse katholieke beweging bewerkstelligen.

In 1951, op zijn 24ste, doorliep Schiltz zijn tweejarige dienstplicht. Ondertussen behaalde hij een licentiaat in de economische wetenschappen en begon hij een relatie met zijn achternicht Lutgarda Schiltz, met wie hij in oktober 1955 huwde en naderhand drie kinderen kreeg.

Schiltz werd beïnvloed door de werken van de Franse filosoof Albert Camus. Het existentialisme van Camus deed hem mettertijd afstand nemen van de katholieke dogma’s. Het werk van Camus verdiepte zijn humanistische opvattingen en ging de basis vormen voor zijn levensbeschouwelijk pluralisme. Schiltz legde een link tussen het existentialisme van Camus en het Vlaams-nationalisme. Het existentialisme hielp hem ook bij de invulling van het begrip Vlaamse identiteit.

Begin oktober 1953 schreef Hugo Schiltz zich in aan de Antwerpse balie. Hij kon aan de slag bij het grote Antwerpse advocatenbureau van Fons Bastaens. In 1958 startte Schiltz met een eigen advocatenkantoor. Dat jaar stapte hij ook in de Antwerpse gemeentepolitiek. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 1958 bood de Christelijke Volkspartij (CVP) in Antwerpen de lijstduwersplaats aan een Vlaams-nationalist aan. De Volksunie besliste immers niet in eigen naam aan de gemeenteraadsverkiezingen deel te nemen, vanwege onvoldoende uitzicht op succes. Rudi van der Paal, op dat moment de organisatie- en propagandaleider van de Antwerpse Volksunie, bracht Hugo Schiltz daarvoor in stelling. Dankzij zijn familiale voorgeschiedenis was Schiltz een aanvaardbaar figuur voor zowel de christendemocraten als de Vlaams-nationalisten. De toen al bekende en beloftevolle Schiltz behaalde net geen 2500 voorkeurstemmen en werd verkozen.

Schiltz werkte zich in de Antwerpse gemeenteraad in de kijker met interpellaties over de toen verboden VU-amnestiebetogingen en met herhaalde tussenkomsten over de Franstalige preken in sommige Antwerpse kerken. Hij pleitte voor een Antwerpse luchthaven in Deurne, ondersteunde de roep om een zelfstandige en pluralistische Antwerpse universiteit en richtte zijn aandacht op de Antwerpse haven.

In 1961 werd Schiltz docent aan de Sint-Aloysius Handelshogeschool van Brussel. Hij doceerde er verzekeringsrecht, internationaal handelsrecht en financiële wetgeving. Op vraag van Rudi van der Paal werd hij in datzelfde jaar voorzitter van de Antwerpse Vlaams-nationalistische Debatclub, met Karel Dillen als ondervoorzitter. Tussen 1958 en 1964 bleef Schiltz twijfelen tussen een politiek engagement voor de machtige CVP en voor de kleinere Volksunie. Zowel emotionele, rationele als opportuniteitsredenen lagen aan de basis van Schiltz’ keuze voor de Volksunie, in april 1964. Doorslaggevend daarvoor was zijn kritiek op het in 1963 door christendemocraten en socialisten afgesloten akkoord van Hertoginnedal, dat onder meer aan de Franstalige inwoners in zes Vlaamse randgemeenten rond Brussel taalfaciliteiten toekende.

De klim naar de VU-top

In oktober 1964 trok Schiltz de VU-lijst voor de Antwerpse gemeenteraadsverkiezingen. Hij behaalde 4630 stemmen en leidde er voortaan de VU-fractie (1965-1989). In 1964 vroeg VU-voorzitter Frans van der Elst aan Hugo Schiltz om naar aanleiding van de parlementsverkiezingen van 24 mei 1965 samen met Mik Babylon en Hendrik Ballet bemiddelingsgesprekken te voeren met de Vlaamse Demokraten, de linkse groep rond de Brusselse VU-volksvertegenwoordiger Daniël Deconinck. Vanwege de verscheurdheid in het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde vond Van der Elst het raadzaam Schiltz voor bemiddeling op pad te sturen. Uiteindelijk weigerde Schiltz in te gaan op de eisen van de Vlaamse Demokraten inzake lijstsamenstelling. Hij volgde daarbij de mening van Van der Elst.

Bij de parlementsverkiezingen van 1965 nam de Brusselaar Van der Elst voor de tweede keer de begeerde koppositie in op de Antwerpse VU-Kamerlijst en kreeg Schiltz pas de derde plaats. Schiltz behaalde 7613 stemmen, de meeste op de VU-Kamerlijst, waarna Van der Elst hem in het VU-partijbestuur loodste. Schiltz bleef VU-Kamerlid van 1965 tot 1991. In de Kamer trad hij meermaals op als begrotingsspecialist. Hij bespeelde er ook de communautaire thema’s en koppelde deze aan de sociaaleconomische evoluties. Politieke vriend en vijand waardeerden zijn oratorisch talent en zijn vermogen om met kennis van zaken het debat aan te gaan.

In de partij werd hij verantwoordelijk voor de public relations en media. Schiltz kwam onder de indruk van de maatschappijkritische en hervormende tijdsgeest van de jaren 1960 en richtte zich tijdens verkiezingscampagnes ook tot nieuwe kiezers. Tijdens de parlementsverkiezingen van maart 1968 behaalde hij vanop de derde plaats op de VU-Kamerlijst 18.538 voorkeurstemmen. Met dit aantal stak hij alle toenmalige Antwerpse tenoren naar de kroon, onder wie Frans Grootjans (PVV) en Leo Tindemans (CVP).

In 1968 fusioneerde Schiltz zijn advocatenkantoor met dat van zijn vriend en Antwerps VU-provincieraadslid Paul Doevenspeck. Zo kon Schiltz zich concentreren op zijn politieke loopbaan en dankzij zijn contacten met zowel de overheid als de zakenwereld cliënten aanbrengen voor het advocatenkantoor. In april 1969 was Schiltz voorzitter van het elfde VU-partijcongres, dat in het teken stond van het federalisme, gelijke kansen, inspraak en een leefbare wereld. Samen met onder meer Maurits Coppieters en Vic Anciaux behoorde hij tot de vooruitstrevende VU-groep, die een autonomer Vlaanderen in een federaal België verbond met een socialer Vlaanderen, levensbeschouwelijk pluralistisch, verdraagzaam en ontzuild. Schiltz werd de verpersoonlijking van diegenen die met het verruimde programma wilden deelnemen aan de macht.

Ondertussen opende de eerste staatshervorming van 1970-1971 de deur naar nieuwe stappen in de federalisering van België. Daarvoor was voortaan niet alleen een tweederdemeerderheid in Kamer en Senaat vereist, maar ook een meerderheid in de twee taalgroepen van beide assemblees. Dat vergrootte de mogelijkheid voor federalistische partijen als de Volksunie om regeringsverantwoordelijkheid op te nemen. De goede resultaten bij de parlementsverkiezingen van 7 november 1971 (11,1% van de stemmen en 21 Kamerzetels) versterkten het pleidooi voor een machtsdeelname van Schiltz, Lode Claes en Van der Elst op de Vlaams-nationale interprovinciale kaderdagen van november 1972, met als argument de stem van de VU-kiezer te willen waarderen en valoriseren.

Op 10 maart 1973 stemde de VU-partijraad in met een nota van Hugo Schiltz over de hangende abortuskwestie. Als levensbeschouwelijke pluralist herleidde Schiltz abortus tot een vrije kwestie, met felle kritiek tot gevolg van de radicale katholieke Vlaams-nationalisten aangevoerd door Karel Dillen. Op 21 oktober 1973 hielden 27 rechts-radicale verenigingen de Vlaams-Nationale Raad (VNR) boven de doopvont. Ze stelden zich vijandig op tegenover de progressieve VU-groep in het algemeen en Schiltz in het bijzonder. De VNR zag voor de Volksunie enkel een rol als zweeppartij in de oppositie.

Tussen de progressieve VU-groep en de rechts-radicale groep bevond zich een eerder conservatief-katholiek middenkader, aangevoerd door Wim Jorissen. Dat middenkader vreesde eveneens deelname aan de macht vanwege het risico op het verwateren van het traditionele en radicale profiel van de partij. Tegen de achtergrond van deze interne tegenstellingen vond een machtswissel plaats aan de partijtop . Hoewel Van der Elst vasthield aan zijn functie van VU-voorzitter en die van VU-fractievoorzitter in de Kamer, liet hij zich vaak kenmerken door afwezigheid. Ondertussen ving vooral Hugo Schiltz de aandacht van de media en nam hij veelal het werk van de VU-voorzitter over. Om daar een mouw aan te passen, stelde het partijbestuur een overgangsregel op, een zogenaamd interim-protocol, waarbij Van der Elst nog twee jaar als algemeen VU-voorzitter kon aanblijven met naast hem een voorzitter van het partijbestuur, verkozen door de partijraad. Schiltz stelde zich daarvoor kandidaat. Evrard Raskin werd tegenkandidaat, op aansturen van de tegenstanders van Schiltz. Op de partijraad van 10 november 1973 behaalden beiden na drie stemrondes evenveel stemmen, maar Schiltz verwierf de functie van voorzitter van het partijbestuur, als oudste van de twee.

De moeizame verkiezing tot VU-voorzitter

Na de parlementsverkiezingen van 10 maart 1974, waarbij de VU 50.000 kiezers verloor, nodigde de christendemocratische formateur Leo Tindemans voor het eerst in de Belgische politieke geschiedenis de Volksunie en de andere federalistische partijen het Rassemblement Wallon (RW) en het Front Démocratique Francophone (FDF) uit voor communautaire gesprekken met het oog op de vorming van een nieuwe regering. Dat gebeurde samen met de liberalen in het kasteel van Steenokkerzeel. Schiltz, Jorissen en Van der Elst namen aan deze onderhandelingen deel. Meningsverschillen over grenscorrecties in de Vlaamse rand rond Brussel deden het overleg stranden.

Nadat hij op 24 april 1974 een rooms-blauwe minderheidsregering had gevormd, nodigde premier Tindemans een tweede keer de federalistische partijen uit. Andermaal bestond de VU-delegatie uit Schiltz, Van der Elst, Jorissen en aanvankelijk ook het Brusselse VU-Kamerlid Vic Anciaux. Tijdens deze ‘Lambermont-onderhandelingen’ werd de optie van de grenscorrecties verruild voor die van het inschrijvingsrecht. Zo zouden de Franstalige inwoners uit twintig Vlaams-Brabantse gemeenten rond Brussel hun sociale, fiscale en gerechtelijke formaliteiten in de Brusselse agglomeratie in het Frans kunnen vervullen, in ruil voor de afschaffing van de faciliteiten. De onderhandelingen daarover sprongen af nadat het FDF bijkomende eisen had gesteld.

In deze periode bleef Hugo Schiltz in contact met verschillende Franstalige politici. In interviews met Franstalige kranten als Le Soir probeerde hij het vertrouwen van de Franstalige gemeenschap te winnen door het federalisme voor te stellen als het beste wapen tegen separatisme. Tegelijkertijd nam toenmalig VEV-voorzitter Vaast Leysen het initiatief om achter de schermen gesprekken voort te zetten tussen PVV-voorzitter Frans Grootjans, CVP-voorzitter Wilfried Martens en Hugo Schiltz. Dat leidde tot de federalistische ‘synthesenota van CVP, PVV en VU’, opgesteld door René De Feyter van de VEV-studiedienst. Door een verspreking van Grootjans lekte de nota begin oktober 1975 in de pers uit.

Intussen woedde de strijd om de voorzittersverkiezingen. Schiltz stelde zich kandidaat, maar kreeg tegenwind van Jorissen en Van der Elst. Op 29 oktober 1975 schreven beiden een brief naar de VU-partijraadsleden, waarin ze Schiltz aanwreven eigenmachtig op te treden en hem zijn regeringsdrang en mogelijke toegeeflijkheid verweten. Ze verwezen in de brief ook naar zijn voor de partij mogelijk nefaste vermenging van politieke en zakelijke belangen. Van der Elst en Jorissen vreesden dat Schiltz’ voorzitterschap een scheuring in de partij zou kunnen veroorzaken en het voortbestaan ervan in gevaar zou brengen. Beiden maanden de leden van de partijraad aan niet voor de Antwerpenaar te kiezen. Desondanks haalde Schiltz het op 22 november 1975 in de derde stemronde van VU-senator Hector de Bruyne met 62 stemmen voor en 34 tegen.

Het Egmontpact

Begin 1976 nam Vaast Leysen de draad op van de discrete communautaire gesprekken, op aandringen van de leiders van het kartel FDF-RW. Aan Vlaamse kant speelden Martens en Schiltz de hoofdrol. De nota ‘Principes voor een communautair akkoord’ gold als onderhandelingsbasis voor de Vaast Leysen-besprekingen. Daarin werd een verregaand federaal ontwerp gekoppeld aan een herverkaveling van de Brusselse rand, de afschaffing van de faciliteiten en de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde. Een akkoord over de nota kon de toenmalige rooms-blauwe regering-Tindemans I met de VU doen verruimen. Maar op zaterdag 14 februari 1976 verwierp een meerderheid in het VU-partijbestuur de nota vanwege de voorziene overheveling van exclusief Franstalige wijken in de Vlaamse rand naar de Brusselse agglomeratie.

Vrij snel daarna staken Willy Claes, op dat moment covoorzitter van de Belgische Socialistische Partij (BSP), en VU-voorzitter Schiltz de koppen bij elkaar. Zo kwam Schiltz ook in contact met André Cools, covoorzitter van de Parti Socialiste Belge (PSB). Tijdens het VU-congres van 4 april 1976 stelde Schiltz in voorzichtige bewoordingen een opening van de Volksunie naar de socialisten voor. Op 28 mei 1976 nam hij publiekelijk afstand van extreemrechts door in het weekblad Zie-magazine de Vlaamse Militanten Orde (VMO) met ‘wandluizen’ te vergelijken waarmee ‘de partij niets te maken heeft en wenst te maken te hebben.’

Na de verkiezingen van 17 april 1977 loodste Schiltz de Volksunie in de regering-Tindemans II (socialisten, christendemocraten, het FDF en de Volksunie). Met de vorming van de regering was op 24 mei 1977 de ondertekening van het Egmontpact gepaard gegaan. Dat pact werd op 4 augustus 1978 aangevuld met het Stuyvenbergpact. Samen vormden ze het Gemeenschapspact. Het bevatte verregaande federale hervormingen, zoals de rechtstreekse verkiezing van de drie gewestelijke deelstaten en de hervorming van het tweekamerstelsel, alsook de reorganisatie van de intercommunales en de afschaffing van de provincies.

Schiltz aanvaardde met het Gemeenschapspact de oprichting van een apart Brussels gewest, in ruil voor een  nagenoeg paritaire samenstelling van de Brusselse gewestelijke regering. In overeenstemming met de strategie van de toenmalige Vlaamse beweging paste hij de tweeledige gemeenschapsvorming in Brussel toe, waardoor de Vlaamse regering er in de toekomst culturele en andere gemeenschapsinstellingen kon oprichten. In overleg met Lucien Outers (FDF) werd deze mogelijkheid ook voorzien voor elk van de negentien Brusselse gemeenten. Maar Outers bekwam in ruil daarvoor de mogelijkheid tot oprichting van Franstalige gemeenschapsinstellingen in de zes faciliteitengemeenten rond Brussel. Het compromis behelsde verder de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde, maar het waren vooral de toegevingen voor de Franstaligen in de zes faciliteitengemeenten en het inschrijvingsrecht die voor tegenstand zorgden.

Een derde van de VU-leden verzette zich tegen het regeerakkoord Tindemans II. De niet-partijpolitieke Vlaamse beweging concentreerde haar kritiek op de taal- en territoriale aspecten van het Egmontpact en hechtte minder belang aan de federalistische merites ervan. Het pact zou er nooit komen.
Op 11 oktober 1978 bood premier Tindemans het ontslag van zijn regering aan de koning aan, officieel vanwege zijn grondwettelijke bezwaren tegenover het communautaire akkoord. Eerder hadden zijn eigen meerderheidsvoorzitters hem daarover in de Kamer geïnterpelleerd, onder wie Schiltz.

Vallen en opstaan

Hugo Schiltz bleef een vurig pleitbezorger van het gemeenschapspact en betaalde daar de rekening voor. Een deel van de Volksunie, veelal de rechts-extremisten, separatisten en pioniers van de partij, beschouwde hem sindsdien als een verrader. Op 2 oktober 1977 scheurde dat deel zich af van de Volksunie. In Antwerpen nam het onder de naam Vlaams Blok deel aan de verkiezingen van 17 december 1978. Dat leverde een Kamerzetel op voor Karel Dillen. De Volksunie verloor zes Kamerzetels en 221.199 kiezers. Schiltz zakte van 35.449 stemmen in april 1977 naar 18.301 in december 1978. Jorissen eiste het ontslag van Schiltz als VU-voorzitter. Maar op maandag 18 december 1978 herbevestigde het VU-partijbestuur het vertrouwen in de voorzitter.

In maart 1979 probeerde Schiltz opnieuw en tevergeefs om via een Vlaams Front van VU, SP en CVP een grondige staatshervorming op de rails te zetten. Op 3 april 1979 legde de regering-Martens I de eed af met socialisten, christendemocraten en FDF, maar zonder de VU. Met de Europese verkiezingen van 10 juni 1979 kon Schiltz het electorale tij niet doen keren. De VU haalde slechts 5,9% van het aantal stemmen. Op 24 juni 1979  verkoos de VU-partijraad een aantal politici die Schiltz ongunstig waren gestemd, onder wie VU-Kamerlid Jaak Gabriëls en professor Jef Maton. Schiltz nam daarop ontslag als voorzitter en de partij belandde voor negen jaar in de oppositie, althans op Belgisch niveau.

Na zijn ontslag als VU-voorzitter was Schiltz fysiek en psychisch de uitputting nabij. Familiaal ging het hem destijds beter voor de wind. Na een echtscheidingsprocedure hertrouwde hij in 1978 met de artieste Suzannah Olieux en op 22 juni 1979 werd zijn enige zoon Willem-Frederik geboren, daarna zijn vierde dochter Sarah. Op 26 maart 1980 verscheen op initiatief van Hugo Schiltz het toen driemaandelijks cahier Vlaanderen Morgen, met Henri-Floris Jespers als hoofdredacteur. In oktober 1980 werd Schiltz voorzitter van de raad van beheer en lid van het directiecomité van de holding Ibel, de Investerings- en Beleggingsmaatschappij Lacourt, met participaties in de krant De Standaard. Brusselaar Vic Anciaux werd tot nieuwe VU-voorzitter verkozen. Begin februari 1981 stelde Schiltz zich onverwacht kandidaat voor de functie van VU-ondervoorzitter. Op 14 februari verkoos de partijraad hem daarvoor in de plaats van Gabriëls.

Op 8 november 1981 vonden vervroegde verkiezingen plaats naar aanleiding van de regeringsonenigheid over de financiering van het Waalse staal, een communautair geladen thema. Met bijna 200.000 kiezers en 20 Kamerzetels haalde de Volksunie weer het electorale niveau van april 1977. In overeenstemming met de tweede staatshervorming van 1980-1981 werd onder de christendemocratisch-liberale regering-Martens V voor het eerst in de communautaire geschiedenis ook een zelfstandige Vlaamse regering en Vlaamse raad (parlement) ingericht. De ministerposten in de Vlaamse regering (toen Vlaamse Executieve), werden volgens afspraak en volgens de electorale sterkte voor één legislatuur evenredig verdeeld onder de vier grootste Vlaamse partijen. Zo kon ook de Volksunie rekenen op een ministerpost in de Vlaamse regering-Geens I, en die ging op 22 december 1981 naar Hugo Schiltz.

Minister in de Vlaamse regering

Schiltz nam als Vlaams minister de bevoegdheid Financiën en Begroting op. Maar hij was ter zake enkel verantwoordelijk voor de gewestmateries en niet voor de gemeenschapsmateries, dit door een voorafgaande afspraak tussen CVP en PVV. Dat vertroebelde zijn relaties in de Vlaamse regering, in het bijzonder met de CVP. Wel werkte Schiltz voluit mee met de voorzitter van de Vlaamse Executieve Gaston Geens (CVP) om de Vlaamse regio te laten meesurfen op de stroom van de Derde Industriële Revolutie Vlaanderen (DIRV), onder meer via het project Flanders Technology (FT).

In 1983 koos de Volksunie voor de sociaaleconomische ‘Derde Weg’, een links-liberale koers waarop ook Schiltz een sterke impact had en die hij probeerde toe te passen in de Vlaamse regering. Schiltz ijverde voor een Vlaamse begroting in evenwicht. Hij was vragende partij voor een verhoging van het aantal Vlaamse bevoegdheden en financiële middelen. Zo streefde hij naar een Vlaams buitenlands beleid en de bevestiging van de Vlaamse identiteit in het buitenland. Zelf paste hij dit toe door zijn diplomatieke reizen naar Catalonië, Tsjechië en de Verenigde Staten.

Ter voorbereiding van een volgende stap in de staatshervorming bracht Schiltz Leuvense professoren en experten bijeen in de door hem opgerichte ‘Werkgroep Macro-Economie’. Schiltz noch de Volksunie konden echter deze kennis omzetten in beleid. De parlementsverkiezingen van 13 oktober 1985 waren met 7,9% van de stemmen teleurstellend en luidden voor Schiltz in december 1985 het afscheid van de Vlaamse regering in. Van 1985 tot 1988 zou hij als fractievoorzitter in de Vlaamse raad actief blijven.

Vicepremier in de regering-Martens VIII

De verkiezingsnederlaag van oktober 1985 werd door de VU-top slecht verteerd en resulteerde in een voorzitterswissel. Vic Anciaux werd opgevolgd door Jaak Gabriëls. In het voorjaar van 1987 liepen de communautaire spanningen in Voeren en de zes randgemeenten hoog op. Gabriëls en Schiltz trachtten een dialoog op gang te brengen met Waalse socialisten en met de toenmalige CVP-topman Jean-Luc Dehaene.  

In de daaropvolgende regeringsvorming, na de verkiezingen van 13 december 1987 verruilden de christendemocraten de liberalen voor de socialisten, aangevuld met de VU. Schiltz speelde daarbij een cruciale rol. Zijn federalistische visie woog zwaar door tijdens de besprekingen over de financiering van de deelstaten, de overdracht van bevoegdheden naar de gewesten en gemeenschappen, met het onderwijs als belangrijkste beleidsdomein.  

Voor de faciliteitengemeenten en Voeren kwam een complex compromis tot stand dat het midden hield tussen, enerzijds, persoonlijke en grondwettelijk verankerde rechten voor de Franstalige inwoners en, anderzijds, het grondwettelijk verankerde respect voor het Nederlandstalig statuut van het Vlaams gewest. Schiltz stond erop dat het Vlaams gewest de administratieve voogdij over de faciliteitengemeenten zou verwerven, maar kon niet verhinderen dat de Franse gemeenschap enkele extraterritoriale rechten via het kiesrecht behield.

Op 9 mei 1988 werd Schiltz vicepremier en minister van Begroting en Wetenschapsbeleid in de regering-Martens VIII. Hij hield zich consequent aan de dubbele begrotingsnorm van het regeerakkoord waardoor de overheidsuitgaven niet sneller stegen dan de inflatie en het nominaal overheidstekort van het jaar voordien niet overschreden werd. Ook bleef, zoals afgesproken, het begrotingstekort onder de 7% van het bnp. Als zelfverklaarde volksnationalist verwachtte Schiltz daarbij solidaire inspanningen van zowel de bedrijven als de particulieren, de overheid en de financiële sector. Hij probeerde zich op te stellen als een gedisciplineerde minister van Begroting, zonder de politieke doelstellingen van de coalitiepartners uit het oog te verliezen, waaronder de ‘retour du coeur’ van de Waalse socialisten.

In zijn achterhoofd speelde de steun van de coalitiepartners om de derde fase van de staatshervorming, vastgelegd in het regeerakkoord, nog tijdens de lopende legislatuur gestemd te krijgen. Dat dreigde een afgang voor Schiltz en de VU te worden, maar begin augustus 1991 wist de vicepremier op een haar na een ‘mini-derde-fase’ te bedingen. Die bestond uit de overheveling van het door Wallonië gevraagde kijk- en luistergeld naar de gemeenschappen in ruil voor de eisen van Schiltz: het internationaal verdragsrecht voor de gewesten en de rechtstreekse verkiezing van de deelstaatparlementen, waarbij de verkiezing voor het Vlaams parlement niet langer op dezelfde dag zou plaatsvinden als die voor het federale. Begin september 1991 struikelde Martens VIII echter over de door de Franstalige partijen verdedigde uitvoer van wapens naar het Nabije Oosten. De PS kwam daarmee tegenover het pacifistische verzet van de Volksunie te staan, die na mislukte verzoeningspogingen van onder meer Schiltz de regering verliet.

De communautaire verwijdering vertaalde zich niet in verkiezingswinst voor de VU. Met slechts 5,9 % van het aantal Kamerstemmen verloor de VU op 24 november 1991 haar vierde plaats in het Vlaamse politieke landschap aan het extreemrechtse Vlaams Blok, dat 10,3% behaalde.
Hugo Schiltz loodste als ‘man van de dialoog’ de Volksunie in de Vlaamse regering. Het Vlaamse regeerakkoord van 28 januari 1992 (CVP, SP en VU) bevatte een verregaand communautair tienpuntenprogramma en een vooruitzicht op een ‘dialoog van gemeenschap tot gemeenschap’.

De kroon op het werk

Op 9 maart 1992 ging nationaal een regering van christendemocraten en socialisten van start, met Jean-Luc Dehaene (CVP) als premier. Deze regering ontbeerde een tweederdemeerderheid om een grondige staatshervorming gestemd te krijgen. Dehaene besloot daarom alle oppositiepartijen, behalve het Vlaams Blok, Rossem en het Front National, uit te nodigen voor een communautaire dialoog. Gerard Deprez (PSC) werd voorzitter van de Dialoog, naast covoorzitter Hugo Schiltz, in wie Dehaene en de meerderheidspartijen het volste vertrouwen behielden. De Dialoog begon op 6 april 1992 en op 22 juni 1992 stelden Schiltz en Deprez een synthesenota voor.

De nota bevatte alle elementen van de derde fase, die van het Vlaamse tienpuntenprogramma en ook de invoering van een ecotaks, op vraag van de groenen, wier steun noodzakelijk was, naast die van de VU, voor het behalen van een tweederdemeerderheid. Het neteligste punt betrof de vraag van de Franstalige meerderheidspartijen om het territorialiteitsprincipe te omzeilen via het kiesrecht. Op 10 juli 1992 stelden Schiltz en Deprez ‘met spijt, maar zonder bitterheid’ de beëindiging van de Dialoog vast. De besproken akkoorden vormden evenwel de basis voor het communautaire regeringsinitiatief dat de rooms-rode meerderheidspartijen in september 1992 hernamen.

Gelijktijdig met de besluitvorming in de regering trok premier Dehaene de kar van de bilaterale onderhandelingen met de vertegenwoordigers van de oppositiepartijen. Voor de Volksunie speelde Schiltz wederom een essentiële rol, samen met de nieuwe VU-voorzitter Bert Anciaux. Op 29 september 1992 werden de Sint-Michielsakkoorden afgerond, gevolgd door het Sint-Quintinusakkoord. De onderhandelaars sloten de federale hervorming van het tweekamerstelsel af met de nagenoeg volledige afschaffing van het dubbelmandaat. Die hervorming opende de poort voor een compromis in verband met Voeren en de Rand, dat weinig tot geen extraterritoriale implicaties bevatte. Daartegenover werd de provincie Brabant gesplitst. Het akkoord bevatte verder bijkomende gewestbevoegdheden en meer financiële middelen voor de gemeenschappen.

Schiltz overtuigde Dehaene om ook artikel 35 in de grondwet in te schrijven. Dat zou in de toekomst toelaten alle restbevoegdheden aan de deelstaten toe te kennen, nadat de deelstaten samen een lijst met exclusieve (con)federale bevoegdheden opstellen. De communautaire akkoorden van 1992-1993 betekenden voor Hugo Schiltz de kroon op het werk.

Als strateeg, onderhandelaar, reformist en diplomaat lag Schiltz met steun van zijn partij aan de basis van de staatshervormingen sinds 1974, zowel indirect als direct. In enkele decennia was het oorspronkelijk unitaire België, via artikel 1 van de grondwet, geëvolueerd tot een federale staat sui generis en de weg  naar een confederale staat is  zo geopend. Op voorspraak van Dehaene benoemde koning Albert II Schiltz in 1995 tot minister van staat.

Eerste schepen in Antwerpen

Na een intermezzo als rechtstreeks verkozen senator van 1991 tot 1995, verplaatst Schiltz zijn politieke activiteiten naar zijn geliefde stad Antwerpen. Met de lijst Antwerpen ’94, een samengaan van christendemocraten, Vlaams-nationalisten en onafhankelijken, wilde hij bij de gemeenteraadsverkiezingen van 9 oktober 1994 een dam opwerpen tegen het Vlaams Blok en vernieuwing brengen in het stadsbestuur. Schiltz was lijsttrekker, maar kon met de lijst slechts 15% van de kiezers bekoren (tegenover 20% voor de socialisten en 28% voor het Vlaams Blok). Met 13.710 voorkeurstemmen hoopte hij in een coalitie met socialisten, liberalen, groenen en Antwerpen ‘94 nog het ambt van havenschepen binnen te rijven, maar hij werd uiteindelijk eerste schepen met de bevoegdheden financiën, economie, toerisme en KMO.

Als pragmaticus trachtte hij verzoening te bewerkstelligen in het ideologische verscheiden college. Schiltz stuurde de begrotingsbesprekingen en nam een aanvang met de sanering van de Antwerpse stadsfinanciën. Hij onderhandelde een paar belangrijke schuldherschikkingen en kon het investeringsbudget van de stad tijdelijk van 1 miljard frank naar 4,5 miljard frank optrekken. Schiltz hamerde op investeringen met een economisch of toeristisch doel, zoals het aanleggen van een terminal voor cruiseschepen nabij de Grote Markt. Hij verkoos het behoud van industriegebied langs de Scheldekaaien boven de vervanging ervan door natuurgebied.

Voor deze en andere dossiers gebruikte hij zijn politieke connecties met hogere bestuursniveaus. Meerdere malen kwam Schiltz destijds in opspraak. Zo hield hij als schepen lang de hand boven het hoofd van de broers Van Laer, eigenaars van het op failliet staande nv Sportpaleis, en cliënten van zijn advocatenkantoor. Er werden ook ethische vragen gesteld bij de officieel correct verlopen procedure voor de aankoop van een kunstwerk van zijn vrouw Suzannah Olieux door de intercommunale de Antwerpse Waterwerken, waarvan Schiltz destijds voorzitter was. Deze en andere feiten werden in de gemeenteraad en in de pers maximaal uitgespeeld door Filip Dewinter, de fractieleider van de oppositiepartij Vlaams Blok, met wie Schiltz meer dan eens een scherp debat aanging.  

Epiloog

In januari 2001 eindigde de 42-jarige politieke loopbaan van Hugo Schiltz en zette hij opnieuw zijn zinnen op de advocatuur. In datzelfde jaar sloot hij na het uiteenvallen van de Volksunie aan bij de links-liberale partij Spirit, samen met compagnon de route Nelly Maes, vertrouwelinge en Spirit-voorzitter Annemie Van de Casteele en Bert Anciaux. De daaropvolgende jaren bleef hij zich in de partij engageren. Eind 2002 volgde hij Anciaux en Geert Lambert toen die met Spirit een kartel vormden met sp.a (Socialistische Partij Anders).

Schiltz vond het splijten van de Volksunie niet onvermijdelijk en geloofde niet in de slaagkansen van de in 2001 opgerichte N-VA (Nieuw Vlaamse Alliantie). Hij verbond deze partij publiekelijk met de donkere bladzijden van het Vlaams-nationalisme in de jaren 1930. De laatste jaren van zijn leven bleef hij nadenken over de ideale plaats van Vlaanderen in het Europa van morgen. Hij stelde zich klaarblijkelijk communautair radicaler op dan indertijd. Op voorspraak van zijn vriend Paul Doevenspeck ging hij ook in gesprek met Gerolf Annemans, de fractieleider van het Vlaams Blok. Nader onderzoek moet uitwijzen in welke persoonlijke en politiek-maatschappelijke context Schiltz destijds denksporen verkende en contacten legde. In de zomer van 2006 overleed Hugo Schiltz op 78-jarige leeftijd als gevolg van leukemie in het Universitair Ziekenhuis Antwerpen. Zijn uitvaart op 22 augustus 2006 vond plaats in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen. Op zijn verzoek werd het geen staatsbegrafenis.

Literatuur (selectie)

  • Diverse auteurs: Themanummer Hugo Schiltz. In: Link, Tijdschrift voor Links-Liberalisme, 7, 2007, 3, 49 p.
  • Dekaezemaker Simon, De Antwerpse ambities van Hugo Schiltz. Exploratief onderzoek naar het schepenambt van Hugo Schiltz in Antwerpen tussen 1995 en 2000. Universiteit Gent, 2020.
  • Hoflack Kris, Monologen met Hugo Schiltz, 1992.
  • Huybrechts Paul, Hugo’s heilige vuur. De intieme biografie van de jonge Hugo Schiltz. 1927-1954, 2009.
  • Moyaert Nico, De voorgeschiedenis van het Vlaams Blok. Onderzoek naar de oorzaken van de partijpolitieke hergroeperingen binnen het Vlaams-nationalisme ten tijden van het Gemeenschapspact. Situering van het ontstaan van de Vlaams-Nationale Partij, de Vlaamse Volkspartij en het Vlaams Blok in relatie tot de Volksunie. Universiteit Gent, 1986.
  • Soethoudt Walter, Schiltz Veerle en De Raedt Elsie, De kunst van het navigeren. Hugo Schiltz liber amicorum, 1993.
  • Van de Casteele Eric, ‘Van Hertoginnedal (1963) naar de Egmont- en Stuyvenbergakkoorden (1977-1978)’. In: E. Witte, Brusselse Rand. Brusselse Thema’s nr. 1, 1993, pp. 210-249.
  • Van de Casteele Eric, ‘Aan tafel met Hugo Schiltz’. In: Knack, 16 augustus 2006.

Werken (selectie)

– Schiltz Hugo, Macht & onmacht van de Vlaamse beweging, 1982.

– Schiltz Hugo, Uitdaging aan de Vlaamse meerderheid, 1985.

– Schiltz Hugo, Gedaan met treuren en zeuren. Omtrent de jongste staatshervorming, 1990.

– Schiltz Hugo, ROSKAM’s mijmeringen, 1999.

– Schiltz Hugo, ‘Het aandeel van de Volksunie in de federalisering van België in de jaren 80 en 90: een getuigenis.’ In: Res Publica, 42, 2000, 1, pp. 97-103.

– Schiltz Hugo, Het gesloten schrijn: Gedichten, 2008

Over de auteur

Eric Van de Casteele is docent aan de Gentse Arteveldehogeschool. Hij werkt aan de biografie van Hugo Schiltz, die zal verschijnen bij Uitgeverij Lannoo en tot stand komt met de steun van Literatuur Vlaanderen en het Fonds Pascal Decroos voor bijzondere journalistiek. (Met dank aan Nico De Smet en Pieter De Messemaeker).

Geef een antwoord